Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij het warmen: hij heeft nog wat dorre rijzen en mos, en praten zullen ze samen tot het slaapt. Zijn hart wordt warm en teeder. Nooit heeft hij zoo iets gevoeld. Dat kindeke, kindeke maakt zijn groote, grove hart zoo blij. Hij tilt het op, licht als een veertje; zet het op zijn schouder en stapt, plons-plons, door het rumoerige water.

Luider joelen de vliegende vlagen; dreigender toornen de kruinen der boomen, nijdiger golft en klotst het sombere water.

Zwarter worden de wolken en trekken in lange karavanen langs de maan. Duisterder dreigt de nacht en zwaarder, zwaarder weegt de last. Maar neen! hij zal zich vergissen. Hoe zou dat mogelijk zijn. Toch drukt dat kind hem zoo vreemd-zwaar, dat hij gebogen gaat aan den linkerkant. Zijn hand houdt het knaapje stevig vast, hij klemt zich krampachtig aan zijn boom en rust. Het zweet breekt hem uit, zijn borst hijgt, moe en zwaar, zijn beenen beven, zijn knieën knikken, en spattend klotst en kletst het water tegen hem aan. Verwonderd ziet hij schuins naar den last op zijn schouder. De maan kijkt door de wolken, het kindje lacht. Hij voelt de kleine hand woelen in zijn kroezig haar; een gouden schijn staat om den knaap, een krans van licht met een kruis daarin, ^en hij begrijpt vol ontroering. En Jezus, want Die is het, zegent Hem op het voorhoofd met een kruis, en zegt lachend en lief: „Vrees niet. Ik ben het; mijn juk is zoet en mijn last is licht. Ik ben de Heer van het kruis, gij zijt mijn getrouwe dienaar."

Sluiten