Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonnige liefde vol. Stien!... Het was of in haar ziel ook het teere, gouden licht binnen zweefde, dat door de gordijnen zeeg, zoo zacht, zoo weldoend, zoo hartelijk, behagelijk warm. Ze meende vooral den laatsten rijd iets bizonders te zien aan dat kind. Was ze niet veel blijer, veel vroolijker dan ooit? Ze had haar zoo lekker opgepast in haar laatste ziekte, leek het liever te doen dan wat ook ter wereld. Zoo'n goed zusterke zou ze zijn! Zou d'r misschien ook iemand in haar leven gekomen zijn? Van haar eigen wist ze zoo goed, hoe licht en luchtig haar het leven was voorgekomen den eersten tijd van haar vaste verkeering. Maar nee, dan had ze 't er immers wel eens ooit over: ze was heelemaal niet gekkerig met jongens. Een moeder zou toch al heel gauw zulk een geheim raden, die kende dat te goed. Uitgaan deed ze ook bijna niet. Alleen des Zondags, wanneer Lies ze kwam halen; die ging dan met haar wat loopen, maar altijd waren ze hier of daar in 't Lof geweest.

De oude klok scheen zachter te spreken nu. De zon werd sterker: het licht daarbinnen had niet meer dat vloeiende, begon strakker te staan. Geeuwend rekte poes zich uit op den stoel bij *t bed, waar ze een warm plaatsje gekozen had op de kleeren, die daar lagen. Spelend legde ze een klauwke op den rand van het bed, waar een enkel fijn zonneplekje lag te blinken als een stukje goudpapier. Een gaatje boven in het gordijn liet dat staafje zonnegoud door. Poes trok spelend aan het laken.

— Maar poes!" dreigde 't oudje. Ze zette haar kopje

Sluiten