Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eenvoud van hun schuimende daken. Zomer! wat gaf het ? zagen ze dan bloemen komen tusschen de keien uit, of zagen ze boomen bloesemen in de doode, leege straten? Soms een tak, die over een muur woei — een hoogen muur met sterk en puntig hekwerk daarop — uit een tuin langs de straat. Soms een geur, die de omgeving vulde op een oogenblik van voorbijkomen, geur van seringen des morgens of rozen in den avond. Dan keerden allen het hoofd om, hielden op in een druk gesprek en keken zoekend omhoog, waar zoo'n zonderling en zeldzaam gebeuren toch wel vandaan kwam. Dan kregen de oogen iets van een innerlijke verblijding, zooals wanneer iemand een zoet geheim overdenkt; dan kwam er iets opgeweld in die weinig-ontroerden, dat ze vertrouwelijk maakte tegen vreemden zelfs, zoodat ze, aanstonds ruimeren opener van ziel, een enkel goed woord wisselden en zeiden: 't wordt al zomer. Ze waren er toch blij om, maar vonden er niet dat groote genot in van hen, die er midden in mochten leven en eiken dag den mooien vooruitgang bewonderen in boom en bloem, en die hooren in vinkenslag en leeuwerikkenlied. Het ronkend rumoer van karren op keien, hejgolvend gezwoeg van daverende maschienen, het jagend leven van mannen en vrouwen kon geen omgeving zijn van zachtheid en rust, waarin alleen de zomer wil verwijlen, zich uiten in de brooze teere schoonheid van kleur en geluid, gelijk een diepe ziel haar wonderen bloei-van-binnen niet openbreekt tenzij voor eerbiedigblije oogen en haar neuriënde wijzen niet hooren laat dan

Sluiten