Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor stil-gezeten luisteraars. Wat deed het er toe, dat het regende of de zon stond te branden en te blakeren op daken en straten? Ze gingen wat loomer, maf van warmte en moe van 't werk naar dezelfde fabriek, door dezelfde straten. Daar deden ze, dag aan dag, week aan week, jaar aan jaar meestal het eendere werk, het doodendeentoonige, geeuwend-vervelende, dat ze in hun droom wel kenden. *s Avonds gingen ze slapen om 's morgens zich weer te haasten den ouden, eenderen dag af te deunen van vorenafaan. Boven de straten, boven de stad uit staken de zwarte, hooge schoorsteenen, dreigend boven de daken, als strenge wachters over al dat volk. En de lucht daarboven in de morgenzon hing al vol vunzig roet en benauwend vuil, - de straten waren nog vol van de weeƫ warmte van gisteren, vol van de nare lucht van verfstoffen en pas gemaakt goed.

Buiten, daar bloeide en lachte en speelde een heel ander leven. Dat kenden ze zoo weinig, want zelden hadden ze daar vertrouwelijk mee geleefd. Des avonds soms, des Zondags meestal kwamen ze er, doch genoten er zoo weinig de goede, sterkende zoetheid van. Waren hun zielen vergroofd bij het werk, evenals hun handen? Waren de edelste en natuurlijkste begeerten verdoofd door die geestlooze levenswijs, welke het noodzakelijke verband verbrak tusschen den mensch en de natuur rondom ?

Liep in die wezens voortaan alle begeestering even tam en gedwee en bewusteloos op en neer, heen en weer,

Sluiten