Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gend de deur open en viel dicht met een zachten plof. Ze nam wijwater, maakte bedaard een kruis, knielde even, legde haar zakje op den stoel voor haar en bad. Heel haar houding sprak. Bij 't binnenkomen al waren haar oogen gericht naar voren, naar het altaar, waar het koperen altaar opblonk in de bruinhouten opstand. Ze zat en bad. Haar anders zoo haastig bewegen lag in vredige rust. Heel haar bewegelijkheid werd als gestileerd tot ingetogen leven, zoodra haar oogen het tabernakel hadden gevonden.

De kerk was breed en hoog, helder in haar simpele witheid, waarin het licht nog langer lag te blinken en blijde scheen te sterven, als de duistering viel door de kleine, in lood-gevatte ruiten.

Klein en nietig zat ze onder dien hoogen boog. Geheel het hoogaltaar kon ze zien; daar lag een lichte glanzing op, hier en daar, van de godslamp, die terzijde hing. Wanneer 't een vroege avond was, leek die daar los te zweven in de kerk, een vogel in rust, alleen het roode, zoekende oog vragend open. Ze bad, midden in die koele, wijde eenzaamheid. Ze vergaten den Meester zoo! Zoovelen gingen er voorbij. Ze dachten er niet aan, Hem te komen groeten. Waarom moest zij dat zoo voelen en werden anderen dat zoo weinig gewaar? Want zeker, ze dachten er niet aan I Zoo'n veilig gevoel van zekerheid, van overtuiging trof haar altijd in de kerk; een helder besef, dat ze één was met de duizenden, die overal baden, deden als zij; met de Engelen!....

Sluiten