Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ingaan, waar ze eiken avond voorbij moesten. Toen was Christien doorgeloopen doch dat had indruk gemaakt op haar, en die bewondering groeide uit tot een vermaning. Later was ze eens toevallig met dat meisje opgeloopen, had er over gepraat en haar houding geprezen.

— Wat moois ook!" zei die. „Waarom zouden wij niet durven wat zij doen ?... Verlegen ? dat is er al lang af!... Als wij ons moeten schamen!... Die andere gaan wel groot op dingen, nou!... Moet je 's Maandagsmorgens maar eens hooren!... Zoo was ook Christien begonnen en het beviel haar goed. 't Werden voor haar oogenblikken van rust, van sterkte. Blootshoofds zat ze daar: kind uit het volk voor den Meester, die het volk zoo liefhad, die zooveel voor de zijnen deed. Heel haar uiterlijk duidde op wijding in haar leven, een leven van gebed, van opofferende, van zwijgende liefde. Ze groette haar God! Ze zei Hem alle zoete en sferke gedachten van haar hart, wat ze vreesde en verlangde, vertelde Hem alles en sprak toch zoo weinig woorden... Haar God... Hoe zéker wist ze dat! Een bewondering rees in haar op, groeide tot blijdschap om dat zoo zoete weten, werd tot een dankende liefde in een stille lispeling van geluk r mijn God!...

Hoe innig voelt ze den vrede van haar wonderbaar geloof ! Hoe haastig en tevens hoe rustig, dringen gevoelens van liefde omhoog naar haar lippen, en zweven haar blijde blikken naar het tabernakel om daar een tijd te rusten! Als afgesneden bloemen, donkere en licht-roode,

Sluiten