Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gestrooid op den witten altaardwaal, geurend in haar sterven voor Hem, Die daar woont, alléén voor Hem, zoo liggen haar gevoelens van dank en liefde voor God. Een edele ingetogenheid omgeeft haar, ernstig en vredig tegelijk. Ze ziet en blijft zien naar de woning van haar God. Fluisterend eerst, daarna zonder lippenbewegen is haar gebed. Ze hoort, hoe er gaan en komen.

Niets dan beminnen doet ze eindelijk, eenige oogenblikken daar verblijven aan de voeten van haar Meester, als een bloem die geurt, als een vlam, die brandt. Dan buigt ze het hoofd. Haar ellebogen steunen op het blad van den bidstoel, beide handen slaat ze voor "j gezicht en luistert, luistert naar dat altijd weer opnieuw terugkeerend gefluister van haar diepste begeeren, dat uitgaat naar God en Hem wil bezitten. Zoo onweerstaanbaar sterk komt dat verlangen soms in haar omhoog, en dringt zoo driftig op haar in, dat ze meent, meent te moeten meenen: „God roept me .

Kon het eens zijn! Zou het ooit mogelijk worden? Wat zou ze God dan danken! En kon het niet, zou ze thuis moeten blijven, haar verlangen langzaam moeten zien sterven als een moeder haar liefste, haar kreunend kind, o, hier bij God voelde ze er den moed toe, dat kruis te dragen, — want haar nuchtere natuur ziet altijd nog naast haar vurig verlangen de mogelijkheid open, dat haar hopen vergeefs zou kunnen wezen. Was daar haar moeder niet, haar oude, zwakke moeder ? Zelf vond ze zulk een gemoedelijke berusting bijna niet mogelijk; ze meen-

Sluiten