Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de, dat ze 't toch zoo wondergraag zou doen: zich geven, geheel aan God. Soms vroeg ze zich af, waarom die gedachte haar niet bang maakte, waarom die onmogelijkheid haar niet ontevreden deed worden. „Maar't kan toch ook niet!" lachte ze weer met zich zelf en ze dacht aan moeder en zag geen enkele mogelijkheid dat het wel zou kunnen, want d'r zus, die ging zeker trouwen, en waar moest moeder dan heengaan ? Of wie moest moeder dan onderhouden? Zij, neen, trouwen deed ze nooit, daar dacht ze gewoonweg niet eens aan. Naast haar zat een ander meisje, dat met zacht bewegen van haar lippen weesgegroet na weesgegroet bad aan haar rozenkrans. Ze stond op, knielde, langzaam en diep. Haar oogen vlogen met een langen blik naar het tabernakel en haar liefde vond als vanzelf het gebed: „Blijf bij ons Heer, het wordt avond."

Binnen werd het duisterig. Buiten hing een grijze klaarte nog maar van den neveligen, kwijnenden dag. Even bleef ze staan op de bovenste trede, als in gedachten. De straat is vol van de gewone avonddrukte. Ze ziet het niet, haar geest is nog bezig met haar zelf. Ze trippelt de trappen af, wil in eens de straat oversteken. Daar rolt en belt de tram geweldig. „Stien!" roept iemand achter haar. Ze schrikt, staat stil. Verbaasd ziet ze, hoe de tram voorbij schuift.

— Dat scheelde maar weinig," zei 't meisje, dat angstig geroepen had en nu bij haar was.

— Ik had er niets van gemerkt, gek!" gaf ze ten ant-

Sluiten