Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het werd een week van wachten, van weifelen, van wanhopen soms aan hetgeen ze wilde, hetgeen ze verwachtte en hetgeen ze vreesde tegelijk. Stil zat ze 's avonds in de kerk. Zwijgend, luisterend voor den Heiland. De fluisterstem van begeeren hoorde ze zoo duidelijk niet meer als vroeger. Inniger vloog haar gebed tot den meester: „Blijf bij ons, Heer, het wordt avond!"

Avond 1 Zoo'n triestige droevige weemoed, zoo'n zacht geschrei om hulp klaagde omhoog uit die bede. Zou het noodig zijn? Kwam de avond nu? De avond met de duistere stilte? met de bevende vrees? met de hooge lucht vol stenen ook? met het opbeurend, bemoedigend denken aan hooger, heiliger streken? Of zou Jezus heengaan, haar alleen laten, alleen met haar hulpeloos verlangen, zooals een vader heengaat uit een huis, zijn huis, en in bittere armoe een moeder achterlaat met haar schreiend kind? Zou Hij weggaan den donkeren nacht door, zonder dat ze nog iets zou kunnen zien dan de kwijnende schaduw van zijn lichaam, — zonder nog iets te kunnen hooren van Hem, dan de verder en verder wegklinkende stappen over de duistere straat? Zou ze voortaan klagend en zoekend haar weg moeten gaan, alleen de blijde herinnering aan het genoten samenzijn met den Heiland, gelijk een arme vrouw uit bedelen gaat langs de straat met alleen de mooie en bittere gedachte aan haar vroegeren welstand? Maar ze had dan toch haar plicht gedaan. Ze had de stem willen volgen, zoover het van haar afhing.

Het was eèn pijnlijke rijd!

Sluiten