Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.

Dien Zondagmorgen waren ze allebei te Communie geweest, Anna en Stien. Voor Stien waren het buitengewone oogenblikken geweest: nog beter had ze kunnen bidden dan anders, veel beter dan den laatsten tijd, toen haar gedachten zoo woelig rondgingen en ze zoo weinig haar aandacht bij 't hooge en heilige werk kon houden, altijd maar moest denken, denken aan dat andere, dat begeerde, en wie weet, nooit te bereikene. Nu gevoelde ze zich innerlijk rustig. Het scheen, of ze inwendig sterk en bereid was tot een moeilijke daad, tot een offer, dat haar zwaar zou vallen, dat wegen zou als een last op haar leven, eèn last, waaronder ze gebogen zou moeten gaan en dien ze toch graag op zich nam. Toch zag ze niets duidelijks, dat van haar gevraagd ging worden; ze wist niet wat haar kon wachten, gaf er op slot van rekening ook niet om: het was goed, goed, al wat voor haar was weggelegd. Haar verlangen lag kalm in haar ziel, als een boot met het witte zeil slap, rustig drijvend met den vlakken stroom mee, eventjes wiegelend op het gladde, glijdende water. Een strak besef was er in haar, een weten zonder diep inzicht, een overtuiging zonder vrees noch ontroering. Een blinkend gouden geschenk leek het, dat te wachten lag, koud en stil, glanzend zonder meer, op den dag en de komst van dengene, voor wien het bestemd is. Wel was haar geest meer bezig met een idee van lijden, een kruis, doch die gedachte werd voor haar

Sluiten