Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat ze te ver gegaan was met Anna zoo te prijzen, legde ze den brief dichtgevouwen op tafel, keek over haar bril heen en zei goedig-lachend:

— Maar gij zoudt ook een goed zusterke zijn, Stientje.

— Wie, ik?" en ze probeerde te lachen. „Zoo gauw als mijn moederke zuster wordt, dan ga ik mee. Wie weet! ging ze gewild-luchtig door, daar zijn nog wel kloosters die zoo'n zoet vrouwke voor waardemoeder willen!" Doch heel den dag door droeg ze dat gesprek met zich mee als het schrijnen van schroeiïng.

Hoe meer ze zich zelf leerde beheerschen, hoe minder acht ze sloeg op haar vroegere voornemens, des te dieper drong de godsdienstige geest in haar door. Ze werd innerlijk ernstig, vond smaak en kracht in bidden, had moed genoeg, om iets meer te doen.

Hoe dikwijls is een onverwacht opgekomen gedachte, waarmee men zelf lacht in het begin, de zuiverste uiting van hetgeen er misschien nog onbewust in ons binnenste omgaat, de eerste uiting van een richting, die zich pas openbaart, maar innerlijk sinds lang, is voorbereid.

Thuis als zuster leven? Wat kon ze doen, dat er op leek? Ze ging eiken dag te Communie den laatsten tijd. Als moeder goed was, kostte haar dat weinig meer, dan een beetje later ontbijten. Om uitgaan gaf ze niet, wat gaan wandelen, 's Zondags, was haar eenig verzet. Hoe zou ze dan... ?!...

Het scheen uiterlijk heel toevallig, — zelf kon ze er zich dan ook geen rekenschap van geven, — maar het

Sluiten