Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontluiken als bloemen in de lente, zoo ongedwongen en zoo spontaan, of als sterren bij avond in het blauw. Het werd een vreugderijk ruischen van al die geluiden, elk zeggend met der eigen zielestem de bewogenheid van blijdschap, als even zoovele menschen. Het ruischen groeide aan tot een zang, een zachten, met een opschateren, een hooguit lachen even boven de zonnige hoofden der velen. Het werd een jubel van samengenoten blijdschap, want daar spraken zielen in dat spel, in die melodie, zielen, die in zoet samengaan, elk met eigen stem, met eigen geluid, met eigen gebaar bijna de eigen blijdschap uitzegden, en toch één waren, één zooals in vele zusters de eigene hoedanigheden zich uiten en toch allen de diepe eenheid van eenzelfden oorsprong dragen.

De Zusters zongen. Dat was een innig meedeelen van een zelf-gevoeld gebed; geen luid en leeg roepen van een uiterlijk, lichtzinnig mensch, geen dwaas vertoon van mooi-gewaande vroomheid, maar een statige, stil-bedwongen, een bescheiden uiting van een heilige ontroering.

Nog stiller werd het orgel nu. De Zusters zeiden duidelijk in deinende geluiden, in golvend op en neder gaan, wat, och, zoo stamelend in de tonen besloten lag. Gezangen, gebeden waren die woorden, licht en zwevend als Engelen.

Het leek een passengang, een statig-slank heen en weer bewegen, een bevallig neigen en buigen, een gelijkmatig voort en terugschrijden van lichte voeten als van hemelingen. De luide blijdschap bleef nog fijn van vorm;

Sluiten