Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog kuisch van toon, droeg nog de wijding van heiligheid, die de kapel vulde en die men binnenhaalde met den geur van leliën. Het altaar was wit van bloemen. Uit de ijle, groene stengels met de korte, tengere blaren schoten de rijke lelietakken op, witte kelken met geel-gouden harten. De vlammen der lange, witte kaarsen blonken in het gepolijste marmer. Op de koperen kandelaars lagen vlokken van glans. De priester ging heen en weer, knielde en boog en bad met uitgespreide armen en gevouwen handen. Boven zijn hoofd uit, op een troon van licht, de heilige monstrans, waarin de witte ronde Hostie rustig stond te pralen: God te midden van de liefdegaven der menschen. Daar was God! Christien geloofde en aanbad, de oogen gevestigd op de nietige gedaante van brood. Daar was Degene, Die de zijnen riep, Zijn bruiden. Ze zag de Zusters, de zwarte sluiers met de vierkante, scherpe vouwen vloeiend als een strenge wijding, een eeuwige heiliging over hoofd en schouders. Ze zag de bruidskronen en haar oogen werden vochtig. Bruiden, zij!... Daar zaten ze te wachten op den Bruidegom, den grooten, heiligen, edelen, dien ze verkozen, voor altijd; wien ze haar liefde gaven, de brooze, ongeschonden, geheele genegenheid van haar kleine en zwakke, maar zuivere en moedige harten. Hoe moest ze bidden voor haar zuster, die daar zat en wachtte op den Iaatsten roep van boven: « „Kommijnebruid, mijne vriendin!" Hoe moest ze bidden ook voor de anderen, die daar zaten en die ze niet kende, maar naar wier geluk haar goede genegenheid uitging.

Sluiten