Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeeg in haar wezen, nu daar ging gebeuren wat ze zelf voor altijd zou moeten missen, of nu dat bijna gestorven verlangen weer begon te krijten, te klagen en te jammeren als een doodziek kind. Alleen de zoetheid, die ze dan vroeger gevoelde bij die aangedaanheid, miste ze nu; het leek meer op een smart, die men zwaar met zich mee moet dragen zonder ze hartelijk te kunnen uitschreien. Het greep haar niet zoo onstuimig meer vast.

O, toen werd ze inwendig meegesleurd naar de mooie toekomst, toen moest ze zich met moeite sleepen naar hetgeen ze een gebiedenden plicht vond. Zoo koel leken toen de woorden, welke tot haar werden gezeid: blijven, blijven, en nu, al voelde ze er verdriet om, ze waren wijs, heel wijs.

Hetteeken der schellen voor de H. Consecratie maakte een einde aan haar pijnlijke mijmering. Het orgel scheen te sterven. De tonen vielen weg, zooals een bloem ontbladert in den wind. Het was stil.

Ze aanbad den God, Die nederig daalde en lag in nietige broodgedaante op het witte altaarlinnen, Lam van hefde, offer van boete voor de zonden der menschen. De priester hield den Heiland een oogenblik hoog geheven boven zijn hoofd, zooals eens het kruis op Golgotha rees met den bleeken, Goddelijken Lijder. Ze bad en klopte ootmoedig op de borst en zag den gouden kelk fonkelen, branden in het licht der kaarsen rondom, een roode vlam, brandend in de handen van den priester, als uit een albasten vaas; vlam van liefde, oneindige liefde, warme

Sluiten