Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar een oogenblik vreemd en verwonderd aanzag, toen ze antwoordde: „Dat heb ik al gedaan, Stien, en zal het blijven doen."

VIII.

Het waren de kalme, laatste dagen van den zomer, als de lucht milder is en de zon niet meer zoo fel, — als de bloemen verbleeken en de boomen vruchten dragen. Grooter dan ooit was Stien's genegenheid geworden jegens haar moeder, want daar woonde zoo'n kalme, zoo'n klare vrede in haar hart. Mooier dan ooit vond ze haar grooten plicht en zag ze de zorgen der toekomst onbekommerd te gemoet. Maar het werd weer herfst, het gure, gauw en herhaaldelijk wisselend jaargetij; met regen en wind, met koele avonden en morgens. Dat was de slechtste tijd voor moeder gewoonlijk. En al nam zij zich in acht, heel spoedig al gevoelde ze den slechten invloed van dat gure en vochtige jaargetij. Ze werd ziekelijk. Een beetje verkouden eerst, wat pijnlijk van rheumatiek. O, het ging wel weer over: 't was ook zoo'n onbestendig weer! Bij een open, heldere lucht was dat aanstonds weer weg. Ze bleef maar wat langer in bed. Stien zorgde wel, dat ze door brommen gedaan kreeg, dat ze thuis bleef uit de kerk. De boodschappen deed ze allemaal zelf, of het moest een heel mooie, zonnige, stillemiddag zijn. Het werd Iaat op des morgens en vroeg naar bed. Ze stak ten slotte het hoofd niet meer buiten de

Sluiten