Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

THEOPHILUS.

I.

Met afgemeten, achtelooze stappen ging daar Theophilus, het hoofd omhoog, drie golvende rimpels in zijn voorhoofd en tusschen zijn oogen groefde zich een diepe plooi.

Theophilus was gram en zon op kwaad.

De zon stond aan den hemel, een vlammend felle brand van licht. Langs de blinkende witte wegen hieven zich de loome boomen en hun zwoele schaduw gaf geen koele lafenis aan den schamelen man, die daar ging, het hoofd omlaag, en dacht. De zon blakerde op de daken, in de hagen hingen de witte windekelken slap.

Daar floot een merel, veraf. Droomerig, als zoekend naar de zoete wijs, die zijn leute zeggen zou.

Daar kwetterde een vogeltje in 't lage hout, vlak bij zijn nest. Theophilus stond stil: zijn oog nog boos. De kleine, grauwe zanger zat op een donker-bruinen hazelaar en gorgelend ging zijn keeltje op en neer. Hij vluchtte niet, zooals schuwe vogels doen, maar zat en zong: ze kenden toch elkaar, want iederen dag, al week na week, liep daar die man te wandelen en te droomen en somtijds stond hij stil, de donker-koele oogen strak vooruit. En dan weer bleef hij, lachend in zich zelf, staan luisteren

Sluiten