Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kennis van zijn kunde en invloed, en dankte hem voor 't goede lang gedaan en bracht hem een belooning nu...

Theophilus wilde aanstonds dankbaar zijn, doch stamelde in bewogenheid wat onbeholpen woorden tot de bisschop wenkte met zijn hand: genoeg, dat heb ik niet verlangd!

En zei hem toen, hoe hij geroepen was tot nog een hooger ambt. Een lastig werk. Een werk vol roem en eer! Het leek zoo mooi gebracht, met ook zoo'n gouden schijn van goed gemeenden dank. En toch, zóó had zijn hart zich vastgehecht aan die voorbije en wankelzwakke grootheid van „ofhciaal", dat het van droefheid bijna brak.

Geen andere gedachte greep hem aan als de eene: Helaas!... het is gedaan!

Nu leek het leven waardeloos voortaan. Ja, ja, die vreemde had hem zoet bedankt voor zijn vele en groote diensten; maar wat een wrange nasmaak liet die lof in zijn mond.

Zoo'n zware post! Gewichtig! zeker, maar ook ver vandaar, en ver van alle menschen.

En toen hij bitter keek, teleurgesteld en spijtig, had de bisschop zoo zoet gezeid: zeker 't is ver! Maar is 't geen groote troost en hooge eer, dat niemand, geen enkele het kan, als gij ? Ik weet wat goed uw wijze leiding deed in 't ambt van officiaal, en dat geeft mij de vaste overtuiging, dat ge 't ginds redden zult.

Of die dat meende ?

Sluiten