Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die man, dat kon wel. Eedijk leek hij, oprecht ter taal. Maar de anderen, die waren schuldig! Hun praten en hun werken was hierop bedacht, hun wringen en konkelen, hun vleien en verheffen ook van hem, dien ze graag zagen gaan...

Hij was gegaan, maar met zoo'n zware voeten, en met zoo dikwijls heimelijk ommezien, of hij het liefste van zijn leven achterliet voor een zeer lange en booze reis.

Doch koel en kalm was hij gebleven.

Nog had hij hoop. Ook de eerste dagen, weken nog. Daar zou wel tijding komen, wijl ze hem noodig hadden met zijn raad en daad. Zoo dikwijls was hij uitgegaan, de breede heerbaan opgedraafd, en had staan kijken of geen witte wolk het komen van een haastig ruiter meldde.

Doch niets bewoog. En moedeloos liet hij zijn paard naar huis toe stappen, lusteloos geschommeld door den tragen gang, terwijl hij droomde en bittere gedachten voedde.

Theophilus was gram en zon op kwaad, nu hij daar ging. In zijn gedachten woelde en wrong de nijd en zocht de spijt een spleet waardoor de gouden schijn van 't zonnige verleden weer kon glanzen in het duister van zijn nieuw bestaan.

Want dat moest! Terugkrijgen moest hij 't oude ambt, zijn vroeger aanzien! Veel kon het kosten, maar het moest!

Geen zachtzinnige, geen heilige, die zijn begeerten had gelouterd door de vlam van goddelijke liefde, was Theophilus. Een wilde en hooge van karakter, onstuimig en

Sluiten