Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Iooze vijand ging; heel langzaam aan ging hij naar een smal en duister pad, dat door de dichte struiken kroop naar onbekende verten. En met hem ging de hoop, en met hem ging de laatste kans op eindelijke vervulling van zijn wensch, dien hij wel anders willen zou... anders., maar niet kon.

— Alléén mijn ziel de prijs ? riep hij hem angstig na.

Hij keek niet eens om. . —Ja, t is goed! zei hij, toen zijn belager verdween in de donkerte van dat onbekende pad, en zijn stem beefde, zijn hart bonsde en knikkend wankelden zijn knieën bij den stroeven wenk: kom! 't Leek wel een bevel van een boozen vader tegen zijn bedeesden zoon.

Beiden gingen ze zwijgend achter elkaar.

Het pad was smal en donker. Daarboven moest de zon in witte warmte staan, want moe en mat maakte de lucht, het zweet stond op zijn voorhoofd. Ze kwamen langs een poel, een vunzigvuilen, dichtbegroeiden poel, waar kikkers kropen door 't drassig water en kwaakten: kwak! Langs den kant zaten lompe padden, en hij ging op zij; vies was hij van die beesten, zoo walgelijk-groen als ze waren; zoo onoogelijk kropen ze, en keken met zoo dom-verbaasde oogen omhoog.

Vlugger en vlugger ging zijn leider hem vooruit: hij moest wel volgen; de warmte rondom hem leek wel koel te waaien bij zoo'n snellen tocht. Hij rilde.

Toen kwam hij op een wijd-open plaats. Het was er dor en kaal alsof alles er tot asch verkoold lag; de lucht

Sluiten