Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hing laag en grauw en zwaar als lood; het was niet donker, maar toch kon hij ook geen licht bemerken; een vreemde omgeving, die huiverig en angstig maakt.

Waar lagen nu de bosschen? waar de wegen, waarlangs hij gekomen was? Alles weg! Ze stonden bij een grooten, blinkend-zwarten steen. Scherp werd de stem van zijn verleider, koel en hard; een toon van lood, zoo dof was nu zijn taal.

-Vloek nu en zweer! Dood aan uw ziel!... Vloek God, de heilige Maagd !

Wat ? Zou hij vloeken ? Al wat hij diep in zijn borst zoo zeer vereerde en heilig-hoog had? Al wat met zooveel vezelen van liefde was gegroeid aan *t eigen vleesch en leven? Dood zijn ziel?... Vloeken God?... en de heilige Maagd?...

Nu 't daar zoo duidelijk en klaar lag voorgesteld had het de harde kleur van kwaad. Al 't mooie en goede leek er af; de zonde alleen stond daar in al de barre boosheid van dreigend-ernstige schuld.

Hij schold van toorn. Bleek van drift keerde hij zich af. Maar hoe zwak was voortaan zijn wil tegen den lust, die hem dreef naar dat ambt. Zijn hoogmoed hield hem vast met zoo'n sterke vuist: hij voelde den lastigen, pijnlijken greep. Daar was nog iets in hem dat tegensprak, dat tegenworstelde, niet wilde: een spijt, een wroeging, een verwijt, dat pijnde als een altijd-blijvend verdriet, dat hem ongeduldig maakte en boos, meest op hem zelf, en hem deed schelden op den man, die harteloos toezag.

12

Sluiten