Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Vloek, heer, mijn tijd is kostbaar.

— Neen, nooit! nooit!... Hij raasde van woede.

— Goed, dan niet! En bij dat koele woord kromp de arme man met zijn hevigen hartstocht in een van angst en huilde van verdriet en beefde van ontzetting. Hij wilde, neen wilde niet! O, zou zoo graag niet willen. Kon hij dat ambt maar eens krijgen zonder die zonde. Hij opende zqn mond, hoopte nog half dat er een wonder zou gebeuren, maar schreiend vloekte hij God, de H. Maagd, en gaf zijn ziel over voor het beloofde ambt.

— Dus over zes weken? vroeg hij achterdochtig en bedarend.

— Zeker!.... -Zeker?....

II.

Theophilus bad wel blij willen zq'n, maar kon niet.

Want al zei de booze stem in zijn binnenste, dat het zoo goed was, dat hij spoedig gelukkig zou wezen, alles weer zou kunnen vergeten, toch lag er iets zwaars op zijn borst, iets dat hem benauwde. Hg was als een zielsbedroefd man, die zijn innerlijk lijden niet wil verraden en probeert te lachen in een gezelschap, maar tevens voelt, hoe stroef zijn trekken geworden zqn, en met den weemoed van zijn leed nog de vrees voor ontdekking door anderen moet dragen.

Hg voelde *t angstig kloppen van zijn hart; hij hoorde maar gestaag het hameren van het verwijt: Wat hebt gij

Sluiten