Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Die man, die slechtaard, die duivel! dat hij ook zijn geheim verdriet raadde in eens! Vastgeklonken lag hij nu aan den keten der hel, iederen dag werd een schakel omlaag getrokken; korter en korter werd de afstand. O! de huiver begon te groeien tot afgrijzen, de angst tot gejammer. Dood! de hel! daar leek geen ontkomen aan. Verkocht had hij zijn ziel! Nu had hij dan wat zijn hoogmoed verlangde. Hij tergde, sarde zich zelf. Een genot was het geweest de eerste dagen, maar sinds liep alles gewoon, dood gewoon. Wie dacht nog aan de bizondere eer van dat ambt ?

Theophilus was gram en zon op donkere dingen. Zijn oogen staarden glazig, wezenloos; zijn wangen waren bleek van wroeging, onrustig zochten zijn magere handen naar steun.

En altijd bonsde luid en luider het eendere verwijt: dood! de hel!

Wakker lag hij eiken nacht, bang voor alles, huiverig voor niets. Hij kon gaan liggen kijken naar de dichte deur, het donkere raam of daar geen man of geen licht heimelijk binnen kwam. Hij luisterde of er geen roep klonk, geen kort bevel, en hoorde het bonzen van zijn borst: dood!

Midden in den nacht stond hij op en doolde bevend rond. Vochtig waren zijn haren, zijn hoofd en hals van t koude zweet. Alle gangen van het huis doorliep hij, ontsloot de deur, die knarsend openging, en achter hem gaf ze een piepend, klagend geluid, zoodat hij haastig omzag

Sluiten