Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 184 —

ik was... alles! De grond moest openscheuren en hie verslinden, zoo'n ellendeling als ik ben.

— Wil ik u helpen, Theophilus ?

— Wie zal mijn ziel losmaken uit de hel ? O, wie dat kon, dat wilde!...

— Ik ben uw moeder. Theophilus.

— Ik ben een hond.

— Mijn kind... — Dat u vloekte...

— Maar dat spijt heeft...

— Naar de hel gaat, verdoemd !

— Wilt ge dat?

— Neen, neen! nooit!...

— Hebt ge dat ambt nog liever dan uw ziel ?

— Dat ambt ? 't Is angst, *t is last, 't is wroeging en spijt!

Mijn ziel wil ik. O, mijn ziel!... Zal ik dan altijd moeten branden ?... Maria, help me!

— Mijn kind, zei troostend de Lieve Vrouw en legde moederlijk haar koele hand op zijn klamme hoofd.

Toen stond ze voor den troon van God en vroeg genade voor Theophilus.

— Die kent Mij niet, die heeft mij gevloekt. De duivel gaf hij zijn ziel: welnu, hij zij dus zijn slaaf.

— Theophilus heeft spijt en roept om hulp.

— Vroeg hij vergeving ?

— Hij durft niet, maar hij riep mij, zijn moeder. Ik vraag genade voor dat arme kind.

Sluiten