Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij viel Henriëtte om den hals en schreide met de overvloedige tranen van een kind.

„Je dacht toch niet, dat ik niet terug zou komen?" vroeg Henriëtte; en met voorzichtige vingers om geen val van het kapsel te bederven, streelde zij het donkere kopje.

„Ik was er zoo bang voor. Alle menschen, die lief zijn, gaan van mij weg."

„Lieverd, hoe kom je aan die gedachte? Toe, ga daar zitten..."

Henriëtte vlijde het kind in een stoel en ging zelf tegenover haar zitten.

Door het raam straalde heldere hchtschijn van de wintersche vorst-zon, zoodat de kamer volgegoten was van licht.

Suzanne kneep hare oogen dicht.

„Waarom is 't hier zoo licht?" vroeg ze klagend.

Henriëtte lachte.

„Omdat de zon schijnt."

„Waarom sluit u dan de gordijnen niet?"

„Omdat ik houd van de zon."

Suzanne huiverde.

„Ik niet. Ik ben bang voor de zon. Maar voor donker ook."

Sluiten