Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen het rijtuig stilhield voor de poort, brak de zon door de wolken en overgoot den tuin met lenteachtigen glans.

Vlug en licht sprong Henriëtte uit den fiacre, liep voor Suzanne uit het park binnen, ademde genietend de frischheid in, speurde een eerste geur van de Lente.

„Suzanne," vroeg zij opgetogen, en trok den arm van het kind door den hare, „ruik je de Lente? Die komt op den wind hierheen, uit het zuiden. Ruik je 'tl"

Suzanne lachte. „Ik ruik niets, madame." „Dan moet je zien, om overtuigd te worden. Kom!"

En voortloopend door de rechte lanen van het park, wees zij Suzanne op de seringenstruiken, waaraan op luwe plekjes, de bladknoppen reeds zwollen, op de kastanjeboomen, die niet meer zoo dood schenen als een paar maanden te voren. En luisterend bleef zij staan: „Hoor! een merel!"

En onderwijl gingen hare gedachten weer naar den brief en groeide de wensch in haar hem te lezen.

Jet-Lie. l5

Sluiten