Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die den bleekblauwen hemel in hun stille oppervlak weerspiegelden, wees op de kleurige visschen, voorbijschietend in de heldere diepte, lachte om de gulzigheid, waarmede zij naar het toegeworpen brood hapten. Zij scheen de jongste van haar beiden, de kinderlijkste.

Toen Suzanne stil en gedrukt bleef, vroeg Henriëtte zich af, of het kind jaloersch zou zijn omdat zij een ander ook haar vriendschap schonk en in haar gewone verlangen naar openheid vroeg zij: „is er'iets Suzanne ? Heb ik iets gezegd of gedaan, dat je hindert?"

Suzanne keek vluchtig naar haar op. En op hatelijken toon doch met tranen in haar oogen, viel zij uit: „wat doet dat er toe? Ik tel toch niet mee bij u."

„Maar kindje..." Henriëtte lachte en zich naar Suzanne overbuigend vroeg zij: „kan je werkelijk niet velen, dat ik een vriend heb ? Denk je, dat jij daaróm mijn vriendinnetje niet zijn kunt?"

Suzanne hield het hoofd afgewend. „Moeder noemde den duc de Vülereux ook haai» vriend," zeide ze gesmoord.

Sluiten