Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met zeemanshandigheid de schade herstelde, die de logger door het geschutvuur van het douaneschip geleden had; Lankhurst hielp hem daarmee zoo goed hij vermocht.

Het weer bleef mooi en helder, de wind uit den goeden hoek waaien en de logger schoot goed op.

Ter hoogte van het Goereesche gat gekomen, zag Jim aan bakboord's zijde een roeiboot, die blijkbaar naar den logger toekwam en liet dadelijk wat zeil minderen, terwijl hij een verrekijker nam om het andere vaartuig te herkennen.

„Ik vertrouw 't nog niet," mompelde hij, „die vervloekte douaniers zwerven hier rond, als kippen op een mesthoop. Die boot zelf zal ons wel geen kwaad doen, maar ze behoeven niet te weten, dat het „de mooie Emily" is, die zich hier in de buurt bevindt." Maar twee minuten later liet hij den kijker zakken en riep verheugd: „'t Is in orde jongen! Laat de logger maar omgaan!"

Weldra was de roeiboot, waarin drie mannen zaten, genaderd, één hunner stuurde en de beide anderen roeiden. De eerste klom aan boord van den logger en werd door Dick hartelijk begroet. Hij was een man van omstreeks veertig jaar, half als schipper, half als heer gekleed. Hij had een gladgeschoren gelaat en een paar kleine, grijze, sluwe oogjes.

„Waar is kapitein Waters?" vroeg hij dadelijk het dek rondziende.

„Gewond, maar niet erg," zei Jim, „hij ligt beneden... We zijn aan den klop geweest met de douaniers... Waar moeten we heen, mijnheer Willem?"

„Ik moet eerst even met Bob spreken," zei de ander en ging naar beneden.

Zoodra hij in de kajuit kwam, zag hij Lankhurst en bleef verbaasd en min of meer wantrouwend staan. Waters stelde hem echter gerust.

„Komt binnen Donker! Blij je te zien, mijn eene poot is aangeschoten, maar 't is niet erg. Deze heer is kapitein Lankhurst, die haast had Engeland te verlaten," hij knipoogde tegen Willem, „en een mooie som voor zijn overtocht beloofd heeft. Dat gaat buiten de zaken om hoor!" besloot hij lachende.

„Maar..." Donker keek nog altijd achterdochtig... „Moet hij ... Waar gaat hij aan wal?"

Sluiten