Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De een, het dichtst bij den — natuurlijk leegen — haard gezeten, was lang en mager, omstreeks vijftig jaar oud. Hij had een smal, lang gelaat, dat nog langer leek door de afhangende grijze knevels en smalle sik. Zijn oogen waren koolzwart en bijzonder glinsterend, zijn gelaat was tanig, gebruind, vol groeven en met enkele litteekens. In kleeding, manieren en taal maakte hij den indruk van een beschaafd militair van hoogeren rang. Op den eersten blik herkende men den Franschman.

De andere man was een tiental jaren jonger, een type van een Hollander; hij was zwaar gebouwd, eenigszins boersch in kleeding en voorkomen, met een gladgeschoren, vrij ruw gezicht en flauwe, grijze oogen, waarin echter zekere sluwheid lag.

Een kan met wijn en een andere met water gevuld stonden op de tafel; de Hollander dronk het druivensap onvermengd, de ander met water verdund.

Toen de reiziger binnentrad vloog een groote, langharige rashond hem toornig blaffend tegemoet, doch de oudere man wist het dier met eenige in het Fransch gesproken woorden te kalmeeren.

De reiziger nam den grooten, breedgeranden hoed van het hoofd, ontdeed zich van zijn lange rijjas met pelerine, wierp beide op een stoel en begroette de aanwezigen in het Fransch.

Het was de Haai, de man uit de Doversche herberg.

„Je bent laat," zei de Hollander, die de Fransche taal minder goed machtig was dan de bezoeker.

De Haai ging, zonder daartoe uitgenoodigd te zijn, zitten en haalde onverschillig de schouders op. Hij was vrij goed gekleed, netjes geschoren en geleek thans weinig of niet op een schipper.

„Ik kon niet eerder hier zijn, 't heeft me moeite genoeg gekost. Die vervloekte Franschen worden hoe langer hoe wantrouwender en ik vrees dat ze mijn gangen hier nagaan. Ik moet op mijn tellen passen."

„Hoe staat het met de ondernemingP" vroeg de Hollander met saaie, toonlooze stem.

„Alle havens in Engeland liggen vol schepen en het zal niet lang meer duren of ze varen uit. Men zegt dat Lord Chatham, de oudste broer van den overleden minister Pitt, het opperbevel over de vloot zal voeren."

Sluiten