Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Als ze maar volk genoeg kunnen krijgen..."

„Zullen de schepen den weg weten te vinden tusschen de ondiepten van de Scheldemonden ?" vroeg de Hollander, Hendrik Florisz genaamd, „'t Is kwaad varen daar."

„O ja, daar is geen kwaad hij," antwoordde de Haai. „Er zijn schippers of liever smokkelaars genoeg uit Deal, Dover en andere Engelsche kustplaatsen, die telkens naar deze eilanden komen en de ondiepten beter kennen dan de Pranschen, zoodat de Engelsche vloot geen gebrek aan loodsen zal hebben."

„Ik weet met zekerheid dat er heel wat verkenningen hebben plaatsgehad in België en in Zeeland; het gerucht liep, dat men Antwerpen over land wilde aanvallen, van Ostende uit," merkte Eloresz op.

„Dat is zoo, maar dat plan heeft men weer laten varen. Neen, de Engelschen zullen de Wester-Schelde opvaren, rechtstreeks naar Antwerpen; Vlissingen, Middelburg en de andere steden van Walcheren zullen natuurlijk weinig weerstand kunnen bieden, al wilden ze ook. Generaal Monnet in Vlissingen heeft over niet veel troepen te beschikken en de Hollandsche bevelhebbers"" — hij haalde de schouders op — „ze zullen misschien wel voor de Eranschen willen vechten, maar of ze 't ook zullen kunnen ..."

De andere man had met blijkbaar ongeduld het gesprek tusschen den Haai en Hendrik Florisz aangehoord, 't Scheen dat hij slechts matig belangstelde in de bijzonderheden die hij te hooren kreeg omtrent de voorgenomen Engelsche expeditie. Zijn gedachten hielden zich met andere dingen bezig en plotseling vroeg hij nu den Haai:

„En heeft het onderzoek wat opgeleverd, monsieur?"

Deze schudde ontkennend het hoofd.

„Met de weinige gegevens, die u mij hebt doen toekomen, verwachtte ik niet veel van een onderzoek ... ik heb waarachtig mijn best genoeg gedaan, maar zonder eenig resultaat. Maar vooral moet ik meer weten, dan Hendrik hier me heeft meegedeeld: een jongmensch, ongeveer twee k drie-en-twintig jaar oud, met donkerblond haar, van Fransche afkomst en die ongeveer zeventien jaar geleden in Engeland moet gekomen zijn. 't Is bitter weinig! Ik ken zelfs uw eigen naam niet." Met half dichtgeknepen oogen keek hij den ander loerend aan.

Sluiten