Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan de zijde, tegenovergesteld aan den kelder, liep een vrij smalle, ruim een meter hooge gang, met verschillende kronkelingen in de richting naar de zee uitgegraven. Deze gang kwam uit in een bosehje, dat zich in een duinvallei bevond en de toegang aan die zijde was met behulp van takken, groote steenen, groen, met zand bedekte zeilen enz., zoo kunstig verborgen, dat men er vlak langs kon loopen zonder te ontdekken dat zich daar ter plaatse iets bizonders bevond.

De smokkelaars hadden dus een veilige bergplaats voor de uit Engeland aangevoerde goederen; waren de omstandigheden gunstig, dan werd het gesmokkelde bij gedeelten uit den kelder van de hoeve weggehaald en te land of te water naar verschillende handelaren vervoerd om verkocht te worden. Voor het geval de douaniers de geheime bergplaats mochten ontdekken, zonden de smokkelwaren weliswaar verloren zijn, maar de geheime gang zou aan de smokkelaars gelegenheid geven te ontkomen en den dans te ontspringen. Tot nu toe waren zij hier echter veilig gebleven. Behalve bij het dorpje Renesse waren er in Zeeland nog meer bergplaatsén van dezelfde soort en het gebeurde slechts zelden dat de douaniers er in slaagden er een te ontdekken.

Binnen twee uren tijds was de lading van „de Mooie Emily" gelost en geborgen in de geheime bergplaats.

Een paar malen hadden de uitgezette posten het alarmteeken gegeven ; onmiddellijk was dan het lossen gestaakt, de mannen verborgen zich in de duinen en de logger hield zich gereed om onmiddelijk zee te kiezen, wanneer het noodig mocht worden. Maar het bleek telkens een loos alarm te zijn — een boertje dat eieren zocht of een konijn wilde strikken, of een vi8scher die naar zijn schuit ging — zoodat na enkele minuten wachten het lossen kon worden voortgezet.

Bob Waters kreeg een flinke som gelds in handen van Hendrik Florisz en daarna zette „de Mooie Emily" koers naar Brouwershaven waar Bob door een heelmeester zijn gekwetste dij opnieuw liet verbinden. De wonde zag er gunstig uit en zou binnen korten tijd zoo goed als geheel genezen zijn. Daarna nam hij afscheid van Hendrik Florisz, die hem de hand drukte en een tot weerziens toeriep:

„Zorg maar dat je gauw terugkomt, we kunnen nog een

Sluiten