Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zoo, zoo, een landelijke schoone, die ondeugend geweest is,' lachte Larné, terwijl hij telkens probeerde Emily's gelaat te zien te krijgen. „Jammer dat ze niet tot morgen blijven kan," voegde hij er met een knipoogje tegen Lankhurst bij. „Zoo laat weg... 't is jammer!"

„Ja, dat is het zeker, maar zij heeft een lastigen baas en als ze niet op tijd thuis komt, is het uitzicht op verdere uitstapjes voor goed verkeken en dat zou ik niet graag willen. Het is nog een stevig eindje wandelen naar West-Souburg en dat met zulk gemeen weer als het nu, is."

„Je blijft zeker daarginds," zei Larné. „Is het een knappe meid ?"

Hij was overtuigd dat de Zeeuwsche schoone toch geen Fransch verstond en benijdde den ander zijn vermeende verovering.

„Waarachtig! Maar zij is erg schuw. Je bent toch niet van plan onder mijn duiven te schieten, mon lieutenant?" vroeg Lankhurst gekscherend.

Wie weet?" De luitenant riep een soldaat en gelastte hem het kleine poortje open te maken en de beide personen tot op het glacis te geleiden, „Au revoir!"

Bien merci!" dankte hem Lankhurst, drukte den luitenant de "hand en weldra was hij met haar buiten Vlissingen, op weg naar de bevrijding.

Het was juist elf uur toen zij den modderigen weg, vol kuilen, gaten en karresporen, naar Middelburg insloegen.

En op een paar kilometers afstands lag de brik „Agamemnon" voor anker; een jong matroos dacht aan zijn verdwenen geliefde en bedacht wraakplannen tegen den man, die haar, naar hij meende, uit Engeland op listige wijze ontvoerd had.

HOOFDSTUK X.

Op een der hoofdgrachten van Vlissingen, nabij de Haven, stond een vrij smal, onaanzienlijk huisje, als het ware ingeklemd tusschen zijn hoogere en breedere buren. Het was slechts twee verdiepingen hoog; de ramen waren laag en smal de ruitjes groenig en verweerd. De geel geverfde deur bestond

Sluiten