Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Helaas ja," zei de Hoogh met een zucht. „Staats-Vlaanderen is al in 1795 aan Frankrijk afgestaan. Lord Chattam schijnt echter geen plan te hebben om voorloopig veel te ondernemen, naar ik ten minste gehoord heb..."

„De edele Lord, is als een slak in haar huis, de Abdy binnengekropen en zal er wel vooreerst niet toe overgaan veel beweging te nemen," antwoordde Dubois lachende: „Ik geloof dat de Engelsche generalissimus meer van lekker eten dan van vechten houdt."

HOOFDSTUK XIV.

Doortje van Ellemeet en haar tante beleefden bange dagen in het kleine huisje bij de Haven. Men wist in Vlissingen maar al te goed wat de vesting te wachten stond en op allerlei wijzen had men zich voorbereid op de ernstige tijden, die aanstaande waren.

Doortje kon het nooit lang in huis uithouden en eiken dag begaf zij zich twee of drie malen per dag een uurtje op straat om op de hoogte te blijven van hetgeen er in Vlissingen gebeurde en verwacht werd.

Op den 12den Augustus kwam zij opgewonden en hevig verontwaardigd t'huis en vertelde driftig:

„'t Is een schande! Overal zijn de soldaten aan het plunderen en aan het vernielen. U moest eens zien welke rabouwen 't zijn, die in het Fransche leger dienen, schelmen en schavuiten van allerlei landaard! Vooral Oud-Vlissingen heeft vreeselijk van hen te lijden gehad."

„Dx had gehoord dat er een burgerwacht zou worden geformeerd van alle mannen, die wapens kunnen dragen, zoowel vreemden als burgers, om de orde te bewaren en het plunderen tegen te gaan," zei haar tante.

„'t Mocht wat! Die schelmen storen zich aan niets en aan niemand."

„Men vertelt dat de Engelsche commandant aangeboden heeft de vrouwen en de kinderen uit de stad te laten trekken." „En?" vroeg Doortje in spanning.

Sluiten