Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XVII.

Dagen lang bleef graaf de Montlévin — de Fransche officier van gezondheid Dubois — onder den indruk van den dood zijns zoons.

In doffe verslagenheid zat hij neer, niemand willende zien, zelfs Doortje niet. Alleen Emily bracht hem hetgeen hij noodig had, meestal zwijgend en vervuld van eigen leed, dat zij niet vermocht te uiten.

De vader van Francois de Montlévin had jarenlang in de vaste overtuiging geleefd, dat zijn zoon niet gestorven kon zijn; steeds vervuld van de innige hoop hem eens te zullen weerzien, had hij vol vertrouwen het tijdstip afgewacht waarop hij persoonlijk in Holland of misschien in Engeland zijn nasporingen zou kunnen instellen. En dit was nu het einde geweest! Zijn zoon, een krachtige, flinke jongeling, had hij weergevonden als geprest matroos in Engelschen dienst, doodelijk gewond door een Franschen kogel, afgeschoten door een soldaat uit het leger van Napoleon.

Met moeite verbeet hij zijn woede, zijn haat, die zijn diepe smart dreigde te verdringen.

"Waarom had hij zoo laat moeten ontdekken dat Francois zich dagen achtereen in zijn onmiddellijke nabijheid had bevonden, zonder dat hij er zich van bewust was geweest? Wel zou hij het sterven van den armen jongen niet hebben kunnen verhinderen, maar had hij Francois eerder teruggevonden, dan ware hij toch in de gelegenheid geweest hem het besef bij te brengen dat een liefhebbend vader aan zijn ziekbed zat; hij zou hem met alle mogelijke liefde en zorg behandeld en zijn laatste levensdagen verlicht hebben...

En nu... vermoedelijk was bij Frangois zelfs het begrip niet doorgedrongen dat hij zijn vader teruggevonden had...

Toch was het misschien beter zóó geweest... Had Frangois geweten dat zijn vader nog leefde en bij hem was, 't zou zijn sterven ongetwijfeld verzwaard hebben.

Te laat...! te laat...! die vreeselijke gedachte drong zich telkens weer bij den vader op den voorgrond ... het was te laat geweest!

Sluiten