Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn moeder, de oude, rijke juffrouw Doortje Godschalk, had hen beloofd het eerste kind, dat uit hun huwelijk zou geboren worden tot universeel erfgenaam van haar vermogen te zullen benoemen, als 't een meisje was en naar haar genoemd zou worden.

Werkelijk werd hen in November 1790 een dochtertje geboren en Gövert was natuurlijk den koning te rijk; de erfenis was nu zoo goed als zeker voor hem.

Mijn lieve, vroolijke, zorglooze Hendrika kon het geld, dat haar kindje te wachten had, minder schelen, maar was dol gelukkig met haar dochtertje, haar eenige vreugde, want van Ellemeet werd bij den dag stugger, somberder en onaangenamer tegen haar en zij, toch al niet sterke vrouw, ging daar meer en meer onder gebukt, hoewel zij haar man nog altijd innig liefhad. Wij zagen elkaar weinig .. . Het ongezellige -tehuis van de Ellemeet's lokte me niet aan, zoodat ik bijna nooit in Domburg kwam; Govert ging weinig van huis, behalve voor zijn dienst; hij was erg jaloersch van aard, hoewel daar absoluut geen reden voor was en liet zijn vrouw zonder noodzaak bijna geen uur alleen; Hendrika mocht ook zelden of nooit naar Vlissingen gaan. Het kleine kind had ik maar een paar malen gezien ...

In September 1792 kreeg ik van Hendrika bericht dat mijn zwager hoogst ernstig ziek lag, aan typheuse koortsen en dat ook zij er door was aangetast. Het kind was bij een bevriende familie ondergebracht. Natuurlijk haastte ik mij om, zoo ganw ik kon, naar Domburg te gaan en vond Govert stervende.

's Avonds was mijn zuster weduwe, doch zelf lag zij in zware koortsen, zoodat zij onbekend bleef met den dood van haar echtgenoot.

Mijn andere zuster, die met de Hoogh getrouwd is, u kent haar, niet waar? wist niets van hetgeen er in Domburg gebeurde. Zij had, nog vóór Hendrika met van Ellemeet in het huwelijk trad, met dezen hoogloopende onaangenaamheden gehad; de Hoogh had partij gekozen voor zijn vrouw, Hendrika voor van Ellemeet,"haar verloofde, en sedert waren de beide families geslagen vijanden, al weet ik dat Hendrika er onder gebukt ging dat zij niets meer van Leentje de Hoogh hoorde of zag, en dat van Ellemeet, te pas of te onpas, op zijn zwager en schoonzuster smaalde.

Sluiten