Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij liep door naar de andere hut, waarin de Haai verblijf gehouden had en vond daar een schop.

Een kwartier later had hij in het duin een graf gegraven, het lichaam van den Haai er in gelegd en daarna weer met zand bedekt.

De schop bracht hij weer in de hut terug en haastte zich toen naar het hospitaal bij Dishoek.

Vooraf had hij zich overtuigd dat geen bloed op zijn kleeren kleefde.

Hendrik Florisz wachtte dien morgen te vergeefs op zijn passagier.

Lankhurst had op zijn wandeling tijd genoeg om weer geheel tot kalmte te komen.

Hij vond Doortje bij den graaf de Montlévin in een der kamers van het middengebouwtje in een druk gesprek gewikkeld dat bij zijn komst echter ophield.

De dokter en Doortje begroetten hem hartelijk zooals altijd, maar toch kwam het Lankhurst voor dat er iets bijzonders, iets vreemds aan hen was. De Montlévin keek opgewekter dan sedert den dood van zijn zoon het geval was geweest en ook Doortje had iets eigenaardigs, prettigs en levendigs in haar oogen.

Men praatte wel over koetjes en kalfjes, Dubois en Doortje over de vele zieken, den slechten afloop der expeditie, het te verwachten terugtrekken der Engelsche troepen, Lankhurst over zijn bezoek aan Emily, haar aanstaande terugkeer naar Dover, juffrouw Lodewijksz en andere onderwerpen. Maar Lankhurst voelde dat er iets tusschen hen hing, dat er een onderwerp was, waarmee de gedachten der beide anderen vervuld waren, van iets, dat zij niet openlijk wilden of durfden bespreken.

Eindelijk stokte het gesprek geheel.

Lankhurst zon op een middel om Doortje onder vier oogen te kunnen spreken, doch zag er voorloopig geen kans toe, totdat de Montlévin plotseling met een guitig lachje in zijn vroolijke oogen tot Doortje zei: „Zullen wij het hem maar vertellen, Louise?"

Lankhurst keek verbaasd van de Montlévin naar Doortje ... Louise! Hij begreep er niets van. Wat hadden zij toch?

Sluiten