Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sinds ons de zee spoog op 't ongastvrij oord dat onze voeten treden — zou men niet gelooven dat de gramme golven 't niet de moeite waard gevonden hebben onze twee schaam'le levens mede te verzwelgen ? — sinds doolden wij voor 't minst een uur in 't rond, tastend naar 't pad en borend in den nacht onze overbodige oogen, scheurend in struik en struweel wat ons gelaten werd buiten 't ellendig lijf, en havenend Zelfs dat: bloed streepte schrijnend aan mijn handen; mijn voeten zijn geen voeten meer, de rots die brokk'lig sperde 't staag- omdonkerd pad, deed ons, nog zwijmelziek van 't wielende geweld der zee, tuim'len van tred op tred, een struiklend zwerven in verbijstering. Genoeg, niet verder — als ik sterven moet is 't hier zoo goed als elders, — blijf ik leven, dan zij 't ook verder zonder 't redeloos omdolen in de blindheid van dit land. Süvio. 't Is goed — wij zullen wachten tot de nacht van woud en klip de trage wieken heft. Ook meen ik, dat de maan moet rijzen vóór den morgen.

Tobias. Ja, dat is zoo, binnen 't uur. Süvio. Rusten wij dan tot zooveel wisseling gewonnen is van zwart in lichternis, dat wij het land verkennen mogen waar God ons geleid heeft, die ons uitverkoos boven onze arme kameraden: 't groote graf heeft zich ruischend over hen gesloten, het weigerde ons, denk Tobias, wij tweeën

gered op al die andren, denk en dank

Tobias. Ge zijt gebleven Wat ge waart, een droomer... Wat voegt ons dank voordat we weten waar we zijn beland ? Licht mooglijk hadden de andren zoo ze nog danken konden, meer dan wij

Sluiten