Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Graniet dat eiken verdren toegang spert, want voor zoover ik zien kan rijst het recht en onbegroeid......

(Muziek).

Muziek! Muziek!

Süvio. Muziek

Hier is een ander antwoord, Tobias!

Tobias. Hier moeten menschen zijn; wij zijn gered!

En deze rots, mijn God, het is geen rots!

Het is een muur, een steenen muur, en zie,

zie Süvio, een poort! Wij zijn gered!

(Hij wil op de poort toesnellen; Silvio weerhoudt hem).

Süvio. Smaad niet het teeken, ons door God gesteld, en treedt niet tusschen Eeuwigheid en mensch!

(Zij wachten tot de muziek zwijgt).

Tobias. Nu spoedig! ja, het is een poort! —

Een poort! Wij zijn bij menschen! Süvio, hoe kunt ge uw hart weerhouden, en volharden in dat starre zwijgen! Denk, wij zijn gered! Süvio. Mijn dank bereikte d'Almacht voor den uwen. Tobias. Een klopper! — Tweemaal, driemaal, hout

[en ijzer,

heerlijk geluid! — Wat mag dit zijn, dit huis, de zwijgende gestrektheid van dien muur......

Het lijkt een klooster, Süvio; 't zou best een klooster kunnen zijn......

Süvio. Ik weet het niet;

klop andermaal, zoo geen gerucht u zegt

dat men uw kloppen hoorde.

Tobias. Süvio......

daar zal toch geen gevaar! ik ben niet bang,

maar alles is zoo zonderling, die poort zoo dreigend, alles, alles zonder de vertrouw'lijkheid, die het nabij-zijn van menschen gewoonlijk mee-brengt. —

Maar het zij!

Sluiten