Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

melaatschen! Süvio ! De lucht die wij inademen is met een damp vergiftigd, afschuwelijker dan de pest! De wind, die in de boomen omgaat, draagt den Dood

mede op zijn vlerken! Weg!

(Tobias af).

Süvio. Duid hem niet euvel,

dat hij met ruw gerucht uw vreê verscheurt,

het is zijn angst......

De portier. En gij, hebt gij geen angst? Süvio. Wel krimpt een huivering mijn hart te zaam van vrees en van ontzetting, maar het meest — zoo ik mijn hart versta — van mededoogen. De portier. Mijn goede heer—zoo niet mijn nadering verderf beteekende, ik zou u vragen uw hand te mogen kussen. Süvio. Maar ik ben

niet bang, mijn vriend; het was een oogenblik... Het vreemde van dit alles deed mij huiy'ren; beroer mij met uw lippen, waar ge wilt. De portier. Mijn goede heer, ge weet met, wat ge zegt Jk zou te slecht uw goedheid loonen, zoo mijn mond, ja, zoo de toppen mijner vingers

u aan te raken dorsten

Süvio. Wel heeft God

een schepsel zwaar bezocht dat in een woord van simple deernis zulk een weldaad ziet. Mijn vriend, is onder uw genooten met één die u allen leidt, en u gebiedt, en die ook mijn gevluchten Tobias en mij kan raden hoe wij best ons leven richten naar 't grillig willen van ons lot ? De portier. O ja,

mijn goede heer, dat 's vader Cypnanus; Zijn woord is ons tot balsem, en voor u zal 't wijsheid zijn: hij draagt ons aller leed bij 't zijne en noemt zijn lot een lichten last

Sluiten