Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE HANDELING.

(De zee. Blauwe lucht. Late middag, die op het midden van de handeling allengs in avond overgaat. — Men ziet Silvio en dm Vader Cyprianus.)

De Vader. De dag klom zestig malen uit de zee

nadat de Hemel uwe schreden ons

heeft toegewend, — een dag nog en de rij

van dagen die als trage droppen in

het onbewogen meer van de eeuwigheid

neer-leekten, loopt ten einde; — morgen bij

het klaren van de kimmen kan het schip

verschijnen dat u eindelijk hergeeft

aan 't Leven, aan u-zelf en wie u lief

zijn over zee.

Süvio. Mij wedergeven aan

het leven vreemd soms lijkt het mij alsof

ik hier het leven eerst gevonden heb......

Wat heet gij leven, buiten 't ademen

tusschen geboorte en sterven, goede Vader

De Vader. Leven is 't zoeken naar den vrede die

den vrede Gods weerspiegelt, maar wij speuren

zelden op zuivre wegen, de bezonkenheid

die 't goud van eeuwge sterren naar omhoog

doet wellen uit de blauwe welvingen

der diepste ziel, is als een bergmeer, ver

achter besneeuwde kammen, onbereikbaar

voor ieder, die niet trouw is, lief heeft, en

gelooft. — Leven is zoeken buiten ons

wat in ons leeft, tot wij de liefde Gods

in alle dingen zien, die ons omgeven,

en iedre klank der taal die ons hart spreekt,

harmonisch uitkringt in Gods eeuwigheid.

Leven is schoon voor wie geduldig zijn;

zóó lang geduldig tot zij doe* zich-zelf

te vlieden, zich in 't eind gevonden hebben.

Süvio. Mocht ik mij-zelven vinden door mij-zelf

te vlieden Vader, o, ik heb gezocht

Sluiten