Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op vele wegen, maar het uitzicht dat

uw woord mij opent, vond ik nooit ontklaard

aan damp van onbegrepen eigenwaan.

Maar wat ik onder menschen in geschrei

of lachen nooit gevonden heb, dat is

tot mij gekomen als een vreemde droom

in de gemeenzaamheid van 't eenzaam-zijn;

een droom van wind en gras en zee-geruisch,

die door uw woord uit waan tot waarheid wordt.

En nu de schaduw van den laatst en'dag

al rekt naar d'avond, slaat een vaag verdriet

een vangend koord om mijn verlangen, dat

terug wil naar de wereld en de menschen.

De Vader. Mijn zoon, ook onder menschen kan de ziel

haar schoone heim'lijkheid ontraadselen.

Süvio. Ik weet het, ik veracht de menschen niet,

en wijt het niet aan hun, maar aan mij zelf,

zoo 'k onder menschen minder mensch ben dan

alleen. Maar sedert enkle dagen doolt

een vreemde drang door mijn gedachten, die

bijna verlangen is, niet heen te gaan

De Vader. Dat ware hoon aan die u heeft gespaard

tot dezen dag! het leed te dragen zoo

het ons door God wordt opgelegd, is schoon; maar leed te zoeken is miskenning van geluk, en 't godlijke te gispen komt geen schepsel toe.

SÜvio. God-zelf heeft mij een teeken gesteld.

De Vader. God stelde u een teeken? Süvio. Ja.

De Vader.Wat is u wedervaren? Süvio. Dezen nacht

poogde ik vergeefs den slaap te vatten in de bergspleet die ons nachtelijks beschut. Ik hief mij van mijn blaadren bed en zag naar Tobias die rustig lag en sliep.

Sluiten