Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Achter de zwarte welving die zich laag boven den verren ingang boogde, hing de nacht als een bewegeloos gordijn, dat, vaag dcrarglommen van de manevlam, wat schoons en heimlijks te verbergen scheen.

Ik weet niet wat mij toen naar buiten dreef.

Ik schreed den stillen schemer tegemoet

en trad als droomend het bedauwde gras.

De duistre boome-kruinen wuifden niet,

de bladren leken ingeslapen als

de vogels, die in hun vertrouwde rust

het prille dagen tegen-sluimerden.

De maan was niet te zien, maar door de lucht

dreef zilverig een grijze glanzing, lijk

verholen lampen wel een kamer vullen

met licht, — de sterren hingen wijd gespreid

en overfloerst als groote droppen dof

en donker goud, — de zware stammen stonden

als wachters aan de sponde van den nacht.

Verloren in de wijde kathedraal

der stilte doolde Üt verder, tot het bosch

zijn schaduw open-schoof. — Het breede land

lag willig onder onbewogen mist.

Daar-achter was de zee, een vaag gerucht

kwam langs mij, als een zacht gesproken woord

na lang vertrouwlijk zwijgen, dat een draad

uit eender droom kan spinnen tusschen mensch

en mensch. Ik hief mijn handen, en mijn hart

was plots'ling van verwachten volgeloopen.

Toen scheen de glanzing, die de lucht vervulde,

samen te vloeien in een enkel punt

dat stralen uitschoot, en dan stiller werd,

en wit en sterk als een gewijde vlam.

Mijn oogen waren aan het wondre licht

gebonden, — al wat mij omringde leek

te deinzen naar een einder achter mij.

Ik zag alleen het licht, — het scheen opeens

Sluiten