Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij onder onze voeten 't wankle vlak

van 't vaartuig voelen zal geen rust mijn hart

bewonen, en zelfs dan Weg, weg, met die

gedachte, — ik spoed mij om te zien of thans een zeil te ontwaren is.

(Bij de laatste woorden verschijnt de Vader Cyprianus. Tobias af).

De Vader. Mijn zoon, de zon

die onze scheiding zal beschijnen, rijst.

De wind is gunstig voor het vaartuig dat

uw makker tegemoet snelt, naar ik gis.

Süvio. Mijn vader, de gedachte aan scheiding is

voor mij zoo droevig, als voor Tobias

verblijdend, en een sterk vermaan rijst in

mijn hart om met te keeren naar de wereld.

Hebt gij Mara gezien?

De Vader. Jk zag haar, toen

ik bij het eerste rooden van den morgen

in de kapel trad, — saamgeschemerd met

de vaagheid van den prillen dag leek haar

gestalte neergebogen in gebed.

Zij lag beweeg'loos, zoo verloren in

aandachtigheid, dat zij 't gerucht van mijn

naad rende schreden niet bemerkte; — eerst

toen ik haar schouder met mijn hand beroerde,

bief zij langzaam het hoofd, en zag mij aan.

Een vreemde zoete glimlach, dien ik nooit

van haar gezien had, glansde van haar bleek

gelaat, of al de starheid van haar arme

verblinde ziel geweken was

Süvio. Die is

geweken, Vader! o, nu moet ik blijven om haar zoeten glimlach altijd te behoeden......

De glimlach, dien de Hemel mij aanschouwen

liet, vóór hij in haar oogen was ontbloeid.

Nadat gij waart vertrokken, gisteravond, sprak ik met Mara, en haar bijzijn gaf

Sluiten