Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de grootst mogelijke restrictie op ten aanzien van personen. Ik beschouw het kortweg als verachtelijk, om — zooals nu nog vaak in kleine partijbladen geschiedt — achter het mom der pseudonymiteit krenkende aanvallen te richten op tegenstanders.

Prof. Valckenier Kips zegt aan het slot zijner boven-aangehaalde beschouwing:

„Het systeem der onderteekende stukken schijnt zeker boven dat der ongeteekende te verkiezen, maar dat het op zichzelf tegen bederf afdoende is, zou moeilijk beweerd kunnen ✓worden."

Dat spreekt! Ik geloof evenmin, dat opheffing der anonymiteit met één slag alle kwaad in de pers zal wegnemen, maar wèl ben ik .vast overtuigd, dat zij op den duur in vele opzichten zuiverend zal werken, aan het gehalte van den journalistieken arbeid ten goede zal komen, het aanzien van den journalist zal verhoogen en, als gevolg daarvan, zijn economische positie versterken.

Het lijkt mij gewenscht, dat het Congres zich in dien zin uitspreke.

De regeling der zaak ligt, dunkt me, niet op den weg van het Congres; immers, het mist dwingend gezag tegenover de bladen. Het bepale zich daarom tot de 6eptnse/-quaestie. Heeft het Congres de wenschelijkheid uitgesproken, dat voortaan als regel gelde: de onderteekening van alle artikelen, in den ruimsten zin genomen, waarin eigen meening tot uiting komt of de individualiteit van den journalist naar voren treedt, dan zal de uitwerking van het beginsel moeten worden overgelaten aan het vrije overleg tusschen den journalist en de leiders van zijn blad.

's-Gravenhage, Juli 1920.

Sluiten