Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kend, dan wordt hij krachtens art. 4 al. (3) aan: dezen bekend gemaakt door twee willekeurige betrouwbare getuigen.

De bestuursambtenaar voor wien de akte verleden wordt zal zich behooren te vergewissen dat beide partijen bevoegd zijn als zoodanig op te treden. Wat de partij van den verbandgever betreft zal verder voldaan moeten zijn aan de bepaling in art. 4.

"Partijen kiezen bij de credietverbandakte woonplaats ten kantore van den ambtenaar, die de akte verlijdt (K. 15 al. 3). Daar de schuldenaar als regel wel niet de beteekenis van dit „woonplaats kiezen" zal begrijpen moge hem goed duidelijk worden gemaakt dat exploiten, dagvaardingen en vervolgingen, bij de akte bedoeld, geschieden aan de gekozen woonplaats en voor den rechter dier woonplaats. Echter verdient het aanbeveling dat de ambtenaar, die de credietverbandakte verleent, den schuldenaar bij voorkomende gevallen onmiddellijk verwittigt.

De Inlandsche bestuursambtenaar ten overstaan van wien de credietverbandakte wordt verleden, wordt voor een bepaalden kring aangewezen door het hoofd van gewestelijk bestuur.

Welke ambtenaar in een bepaald geval bevoegd is, wordt niet bepaald door dé'woOnplaats van den verbandgever maar door de plaats, waar de te verbinden goederen gelegen zijn of zullen worden tot stand gebracht (K. 15 al. 1 en 2). De aangewezen ambtenaar mag de hier bedoelde werkzaamheid op geen andere plaats verrichten dan die, welke hem te dien einde door het hoofd van gewestelijk bestuur wordt aangewezen. Hier moeten ook de minuten en registers worden bewaard en niet dan bij rechterlijk bevel mogen deze worden verplaatst (K. 32).

De ambtenaar mag in geen geval weigeren of vertragen zijn verplichtingen met betrekking tot het credietverband te vervullen, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens partijen (K. 35).

De verordening heeft geen regeling gegeven voor het geval credietverband moet worden gevestigd en de voor het verlijden aangewezen ambtenaar krachtens artikel 3 (3) niet gerechtigd is als zoodanig op te treden.

De eenige uitweg is om alsdan gebruik te maken van de bepaling in art. 14 en de aanwijzing, door het hoofd van gewestelijk bestuur, van een tijdelijken vervanger uit te lokken.

Sluiten