Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tweede druk, 1907. Wie meer omtrent tekstkritiek, uitgaven enz. wenst te vernemen, zij verwezen naar Leendertz en ook naar de goed verzorgde uitgave van J. Koopmans in de Bibliotheek van Nederlandsche Letterkunde. Ook hier werden de prozastukken evenals in de editie van Willem Vorsterman (1518) waarvan de firma Nijhoff in 1904 een facsimileuitgaaf bezorgde, tussen de tekst geplaatst. Men vergelijke hiervoor wat G. Kalff in Tijdsfchrift der Maatschappij van Letterkunde, 1920, daarover gepubliceerd heeft, waarin hij — in tegenstelling met Leendertz — aantoont, dat de prozastukken een essentieel deel van het gehele werk uitmaken.

Sommige passages werden gekastigeerd. De redenen die daartoe leidde, liggen genoegzaam voor de hand. Zeker gaat daardoor iets verloren van de karakteristiek der personen, van de Moeye en van Moenen in het Diezonder, maar de Moeye is maar 'n bijfiguur en Moenen wordt genoegzaam getypeerd, ook al werden de te rauwe uitdrukkingen geschrapt. De essentie van het dichtwerk is er niet door beledigd. De zin, zowel als de werking van het hoogste poëties motief blijft onaangetast, terwijl nu de bestudering mogelik wordt ook bij het onderwijs. Daarom is weggelaten, wat een behandeling met de klas in de weg zou staan.

Met het plaatsen van noten is gestreefd naar beperking. Zij brengen geen filologies apparaat, alleen het hoogst nodige tot het

Sluiten