Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zorg der voorouders voor de bescherming van den handel openbaart zich in de eerste plaats in hunnen strijd voor de vrije zee: het mare liberum.

De vrijheid der zee, waarvoor Holland in de 17e eeuw is opgekomen, is niet de absolute vrijheid, die elke gezagsuitoefening in oorlogstijd, en dus ook blokkade en belemmering van contrabandevervoer, zou uitsluiten; evenmin heeft zij iets te maken met het vage en vertroebelde begrip, dat men in den laatsten tijd, vooral onder invloed der Duitsche schrijvers, met dezen term is gaan aanduiden. De bedoeling was slechts, te bestrijden de door bepaalde staten — eerst Middellandsche-Zeestaten als Venetië, Genua en Pisa, later Portugal, Spanje, Engeland —, opgeëischte zeggenschap over deelen der open zee, het Dominium Maris, dat het recht zou medebrengen, die zeeën ook in vredestijd te sluiten of het bevaren ervan van. zekere voorwaarden afhankelijk te maken. De erkenning van zoodanig Dominium Maris was voor de Vrachtvaarders van Europa onmogelijk, en vandaar dan ook, dat Holland gedwongen was zich te kéeren tegen eiken staat, die daarop aanspraak maakte.

Die strijd gold in de eerste plaats Portugal, dat het recht opeischte de Hollandsche zeevaarders van den Indischen en het Zuidelijk deel van den Atlantischen Oceaan te weren, en hun aldus den handel op Indië onmogelijk te maken. Daartegen richtte Hugo de Groot in 1604 een der hoofdstukken van zijn, vermoedelijk op verzoek der Oost-Indische Compagnie geschreven, werk: „De Jure Praedae". Doch dit geschrift bleef onuitgegeven en eerst toen vier jaar later, bij de met Spanje aangeknoopte onderhandelingen over den vrede, en daarna over het Bestand, de Spanjaarden met overeenkomstige vorderingen tot staking van de vaart op Indië aankwamen, zag de verhandeling het licht onder den titel: „Mare liberum".

Gelukte het hier overwinnaar te blijven, zwaarder was

Sluiten