Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd in het vredesverdrag de eisch weder uitdrukkelijk tot de Britsche Zee — van Kaap Finisterre tot StaatenLand in Noorwegen toe —, beperkt, maar uit het gebied der courtoisie, waarin De Witt de kwestie had weten te leiden, is het hun niet gelukt haar weder tot een politieke aangelegenheid op te werken, en de practische beteékenis van het gepretendeerde Dominium Maris is sindsdien nagenoeg geheel verdwenen.

Naast de opheffing van de belemmeringen der vrije vaart moest de zorg voor den handel zich openbaren in de bescherming van goederen, vervoerd in de neutrale schepen. Indien deze geen vijandelijk goed konden vervoeren, werd de geheele vrachtvaart en handel op de belligerente landen vrijwel onmogelijk; te meer, wanneer men niet den eigendom, maar den oorsprong der goederen gelijk in de latere Fransche ordonnanties als criterium van het vijandelijk karakter aannam. In het Consolato del Mare — de 14e eeuwsche verzameling voorschriften, waarin het oude zeerecht van de MiddellandscheZeestaten wordt aangetroffen—, werd de regel gehuldigd, dat vijandelijk goed overal neembaar was, dus ook aan boord van een neutraal schip. Daarentegen was neutraal goed niet neembaar, ook dan niet wanneer het zich in een vijandelijk schip bevond. Zoo gunstig als deze regel was voor de onzijdige ladingeigehaars, zoo ongunstig was hij voor de onzijdige reeders.

In het Noorden behandelde men de onzijdigen met nog minder consideratie. De machtige Hanza verbood, zoodra zij in oorlog kwam, den neutralen allen handel op hare vijanden. Dat zij daarbij met Holland in conflict kwam, is niet te verwonderen: in 1551 op een dergelijke aanzegging van de Hanza in haar oorlog met Denemarken, antwoordde Holland dat het het recht had dien handel voort te zetten en dat het zich dien niet liet verbieden. Het kon zich daarbij beroepen op het feit, dat in 1438, tijdens een oorlog met

Sluiten