Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de contrabande, waarover later. De aanvulling, die in 1856 de Declaratie van Parijs heeft gebracht: dat ook neutraal goed aan boord van vijandelijke schepen vrij is, ontbreekt dan nog. Uitdrukkelijk wordt hier zelfs het tegendeel bepaald: onzijdig goed, geladen in vijandelijke schepen, zal niet vrij zijn.

Door alle goederen aan boord van vijandelijke schepen neembaar te verklaren, bereikt men, dat de handel in oorlogstijd naar de onzijdigen overgaat. De regel vrij schip vrij goed is daarom typisch Hollandsen; vergeleken bh' het regime van de Declaratie van Parijs bevoordeelt hu' speciaal de neutrale reeders, en is daarom de aangewezen regel voor het volk, dat de vrachtvaart van Europa in handen heeft. Doch het voorschrift was bovendien uitermate practisch; waar uitsluitend de vlag over de neembaarheid van de lading besliste ontkwam men aan het hoogst bezwarende onderzoek naar den eigendom der lading. Nam nu bovendien de neutrale staat zelf de verplichting op zich te zorgen, dat geen contrabande-uitvoer plaats had, dan werd de geheele visitatie op zee overbodig — iets, waarop het streven van De Witt, met het oog op de ergerlijke misbruiken, waartoe het droit de visite aanleiding gaf, steeds is gericht geweest.

Het verdrag met Frankrijk dateert, evenals dat met Spanje van 1650, waarin de regel vrij schip, vrij goed — en thans in zeer duidelü'ken vorm — werd herhaald, uit den tijd dat Jacob Cats raadpensionaris was, dus vóórdat De Witt aan het bewind kwam. Het is dan ook niet juist, om het vaderschap van dien regel aan De Witt toe te kennen ; wel echter is hu' het geweest, die mét onverflauwbare energie voor het beginsel heeft geijverd en ten slotte daaraan de heerschappij heeft weten te verzekeren.

Terstond nadat De Witt het ambt van raadpensionaris heeft aanvaard draagt hu' den gezant te Parijs, Boreel, op, met de Fransche Regeering een nieuw verdrag op de basis vrij schip vrij goed, te sluiten. Doch al spoedig bln'kt,

Sluiten