Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten souden mogen obsteren". Ook thans weder bereikt hij geen resultaat. Als in 1656 klachten inkomen van Engeland over contrabandevervoer aan ziï'n vijanden van uit Nederland, in strijd met het verdrag van Westminster, en Cromwell een nieuw tractaat van Marine voorstelt om de handelsbetrekkingen definitief te regelen, wordt onzen ambassadeur Nieuwpoort opgedragen, den Protector erop te wijzen, dat in dit concept „de maxime van vry Schip vrij Goed t'eenemale is geobmitteert". Doch de Engelsche staatssecretaris Thurloe weigert positief deze maxime te aanvaarden. Te vergeefs bepleit Nieuwpoort de wenschelijkheid van den regel, wijzende op de moeilijkheid den eigendom van de goederen in neutrale schepen aangetroffen met zekerheid vast te stellen; te vergeefs voert De Witt wederom aan, dat „de twee meest commercieerende Republicquen van de gantsche wereldt den anderen den fondamentelen Regel van Navigatie ende Commercie vrij Schip vrü' Goedt niet en behooren te disputeren": de Engelschen blijven ook thans weer onverzettelijk. Zij betoogen dat, wanneer zü' dezen regel aan Nederland toestaan, ook Zweden, Denemarken en de Hanzasteden dien zullen eischen en dat men, in het bijzonder met het oog op den aanhangigen oorlog met Spanje, een zoodanige bevoordeeling van den vijand niet kan dulden. Ook hier moet De Witt den regel laten vallen. Hu' blijft echter volhouden en weet achtereenvolgens Portugal, Frankrijk, Zweden en in 1667, bü' den vrede van Breda, ten slotte ook Engeland tot het sluiten van een verdrag op deze basis te bewegen. Daarmede is — althans in theorie — de heerschappij van het Hollandsche beginsel gevestigd; in de verdragen, gedurende de daarop volgende eeuw gesloten, niet alleen die, waarbij Holland partjj is, maar ook in die tusschen de overige staten onderling, vindt men bijna zonder uitzondering den regel vrü' schip vrij goed erkend.

In de practü'k liet de toepassing van het beginsel nog wel eens te wenschen over. Holland zelf begon reeds in

Sluiten