Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 1622 voorkomt. Het begrip contrabande evenwel, als een categorie goederen, waarvan de toevoer aan den vijand, uit hoofde van hun direct verband met de oorlogvoering, door elk der belligerenten kon worden belet, dateert reeds van veel vroeger. Een aanknoopingspunt daarvan vindt men zelfs al in het Romeinsche recht en in de pauselijke bullen. In de eerste plaats heeft men daarbij steeds het oog gehad op wapenen en oorlogstuig, daarnaast echter ook op levensmiddelen.

In het beroemde werk van Hugo De Groot, De jure belli ac pacis, van 1625, komt de naam contrabande niet voor; het begrip echter behandelt De Groot wel. Hij maakt de bekende onderscheiding tusschen de goederen die alleen in den oorlog gebruikt worden, die, welke niet in den oorlog gebruikt worden, en die welke voor beiderlei doeleinden kunnen worden gebezigd. De eerste categorie kan altijd worden verbeurd verklaard, de tweede nooit. De goederen van de derde soort kunnen, tegen latere teruggave, in beslag worden genomen in geval van noodzakelijkheid voor den belligerent; heeft de toevoer ten gevolge, dat de belligerent in de doorvoering van zijn recht wordt gehinderd, dan kan niet alleen de teruggave achterwege blijven, maar is degene, die ze toevoerde, bovendien tot schadevergoeding gehouden.

Deze regels van Grotius zijn later opgevat als beginselen van neutraliteitsrecht. Ten onrechte. Zij geven aan, in hoever het geoorloofd is met een natie den handel voort te zetten, ondanks het feit dat deze met een ander een onrechtmatig en oorlog voert. Zjj gaan dus ervan uit, dat men te voren in de zaak der belligerenten heeft partij gekozen. Daarom hebben zij niets met de onzijdigheid uit te staan, omdat het kenmerk der onzijdigheid juist is dat men geen partij kiest tusschen het al of niet rechtvaardige van ieders zaak. De Groot kent deze onzijdigheid wel, maar hu' werkt de regels daarvoor met uit. Hij volstaat met, in een der laatste hoofdstukken van zijn boek, te

Sluiten